Notitie Provincie Noord-Brabant

Interpretatie op het overgangsrecht aan de gemeenten en de omgevingsdiensten

november 2023

Overgangsrecht Wet bodembescherming

Het overgangsrecht voor Wet bodembescherming (Wbb) verontreinigingen is geregeld via de Aanvullingswet bodem en het Aanvullingsbesluit bodem. Er zijn onder de Wbb veel verschillende situaties denkbaar, waarop het overgangsrecht en daarmee het oude recht van toepassing kan zijn (wel of niet beschikt ernst en spoedeisend, of ernst niet spoedeisend, wel of geen saneringsplan ingediend, wel of geen BUS-melding, etc.).
Hierna worden de meest voorkomende situaties genoemd. (voor een verder beschrijving zie https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/overgangsrecht/lopende-saneringen/)

  1. Het bevoegd gezag Wbb heeft vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is.
  2. De saneerder heeft vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet een saneringsplan ingediend of een deelsaneringsplan ingediend, uitsluitend voor het deel waarop het saneringsplan betrekking heeft. Voor locaties waar na 1-1-2024 nog en beschikking wordt genomen op ernst en spoedeisendheid kan het zijn dat deze besluiten niet juridisch standhouden bij de Raad van State en mogelijk toch niet onder het overgangsrecht vallen als het besluit wordt vernietigd.
  3. Een BUS-melding of sanering op grond van artikel 39b Wbb (tenzij niet gestart binnen 12 maanden).
  4. Een aanwijzing op grond van artikel 27 lid 2 Wbb

Het oude recht blijft van toepassing op een aanwijzing, zoals bedoeld in artikel 27 lid 2 Wbb, mits die is gegeven vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze aanwijzing heeft betrekking op de te nemen maatregelen. Dat de aanwijzing onder overgangsrecht valt volgt uit artikel 3.2, onder a, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Nieuwe verontreinigingen op grond van artikel 13 Wbb
Op nieuwe verontreinigingen of aantastingen veroorzaakt tussen 1 januari 1987 (1993 voor asbest) en de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geldt overgangsrecht. Voor deze situaties blijft de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming gelden. Handhaving van vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet veroorzaakte ‘nieuwe’ verontreinigingen of aantastingen valt dus onder het oude recht. Zie Zorgplicht bodemverontreiniging.

  1. Een maatregel op grond van artikel 30 lid 1 en 4 Wbb (ongewoon voorval)
  2. Een maatregel of een beperking op grond van artikel 37 lid 4 Wbb (maatregelen of gebruiksbeperkingen opgenomen in beschikking ernstig niet spoedeisend). De beperkingen: melden graven in verontreinigde grond/grondwater en melden wijziging gebruik vallen niet onder het overgangsrecht. Het overgangsrecht geldt alleen voor de beperkingen/ maatregelen en niet voor de activiteiten in de verontreiniging. Zie ook toelichting onder het kopje ‘Locaties met twee bevoegde gezagen’.
  3. Een bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen op grond van artikel 43 Wbb.
  4. Een vastgesteld en goedgekeurd gebiedsplan op grond van artikel 55d Wbb.
  5. Een vordering voor het verhalen van kosten van verontreiniging van de bodem, bedoeld in artikel 75 Wbb.
  6. Een melding op grond van artikel 28 Wbb (voorgenomen handeling met verontreinigde grond).
  7. Verklaring van niet reinigbaarheid verontreinigde grond.
  8. Een gedoogplicht (bijv. verrichten van onderzoek en aanbrengen/aanwezig zijn,/onderhoud/gebruik/verwijderen van middelen).

Geen vaste einddatum eerbiedigend overgangsrecht

Bodemsaneringen duren vaak lang. Zeker bij saneringen met nazorgmaatregelen (zie artikel 39d Wbb) en beheermaatregelen (zie artikel 37 lid 4 Wbb). Een uniforme vaste einddatum is niet vast te stellen. Daarom kent de Aanvullingswet bodem geen vaste einddatum voor het eerbiedigend overgangsrecht.

Alleen voor het deel dat beschikt is

Overgangsrecht is alleen van toepassing op dat deel van de verontreiniging waar de beschikking/saneringsplan/beperking op van toepassing is. Het overige deel valt niet onder het overgangsrecht.

Locaties met twee bevoegde gezagen (locaties met opgenomen beperkingen)

Op locaties met beschikte* beperkingen/nazorg (bijvoorbeeld instandhouden leeflaag) of restverontreiniging kan dus sprake zijn van twee bevoegde gezagen: Provincie mbt overgangsrecht voor de beperking en gemeente voor activiteit (bijv MBA graven).

Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen gesaneerde en niet gesaneerde verontreiniging.

Niet gesaneerde locaties (beschikking ernstig en niet spoedeisend):

  • Het overgangsrecht geldt alleen voor de gebruiksbeperkingen/maatregelen voor het deel waarop die van toepassing zijn (niet zijnde: melden graven in verontreinigde grond/grondwater en melden wijziging gebruik)
  • De verontreiniging valt onder de Omgevingswet

Gesaneerde locaties (beschikking op evaluatieverslag):

  • Als er gesaneerd is met een saneringsplan dan vallen zowel de gebruiksbeperkingen als de restverontreiniging onder het overgangsrecht. Er zal dan altijd een melding (saneringsplan/BUS-melding) bij de provincie moeten worden ingediend.
  • Als er gesaneerd is met een BUS-melding ‘Aanbrengen leeflaag of duurzame aaneengesloten afdeklaag’ dan vallen alleen de beperkingen (instandhouden leeflaag/afdeklaag) onder het overgangsrecht. De restverontreiniging valt onder de omgevingswet.
  • Als er gesaneerd is met een BUS-melding ‘Ontgraven tot niveau terugsaneerwaarde’ dan valt de restverontreiniging onder de Omgevingswet.

Dit zou betekenen dat bij activiteiten op locaties met twee bevoegde gezagen (1 en 2b) het volgende zou moeten gebeuren:

  • De initiatiefnemer moet bij de gemeente (via DSO) een melding indienen voor de activiteit (bijv MBA graven of MBA saneren).
  • De gemeente beoordeeld deze en vraagt advies bij de provincie met betrekking tot de gebruiksbeperkingen.
  • De provincie adviseert de gemeente.
  • De initiatiefnemer moet een melding indienen (buiten DSO, omdat dit overgangsrecht is) bij de provincie in verband met de beperkingen.
  • De provincie reageert op deze melding.

Omdat dit zowel voor initiatiefnemer (twee meldingen),als gemeente (extra advies vragen aan provincie) extra werk betekent worden deze (situatie 1 en 2b) afgehandeld volgens onderstaande werkwijze.

  • Uitgangspunt bij gevallen met passieve nazorg/beperking is om de activiteiten graven en saneren in leeflaag en/of (rest)verontreiniging zo veel mogelijk door de gemeenten af te laten handelen. Als de (rest)verontreiniging (> I-waarde) op een perceel en de leeflaag/afdeklaag (volgens de beoordeling door de gemeente) intact worden gelaten/wordt hersteld, handelt de gemeente de activiteit af. Er hoeft dan geen advies gevraagd te worden aan de Provincie.
  • Als de (rest)verontreiniging (> I-waarde) op een perceel of binnen een geval volledig wordt verwijderd of wanneer het karakter van de leeflaag/afdeklaag wordt aangetast, Moet er naast een melding bij de gemeente voor de activiteit ook een melding gedaan worden bij de Provincie Noord-Brabant . Dit heeft namelijk gevolgen voor gebruiksbeperkingen, kadastrale registratie en/of nazorg. Dit valt dan onder het overgangsrecht en de Provincie Noord-Brabant moet in een dergelijk geval ook actie vanuit de Wbb ondernemen. Dat kan bestaan uit het nemen van een nieuwe beschikking op het evaluatieverslag en het uitvoeren van toezicht/handhaving.

Als de sterke (rest)verontreiniging niet volledig wordt verwijderd, maar slechts gedeeltelijk kan wel een nieuwe beschikking Wbb (Overgangsrecht) op het saneringsverslag en/of nazorgplan op het resterend deel van de (rest)verontreiniging worden genomen, maar blijft de locatie onder het overgangsrecht vallen, immers er blijven gebruiksbeperkingen gelden voor het resterend deel van de (rest)verontreiniging.

Wijzigingen

Deze notitie is opgesteld aan de hand van de op dit moment beschikbare informatie over het overgangsrecht Wet bodembescherming Omgevingswet. Mocht later blijken dat andere informatie beschikbaar is kan dit tot wijzigingen leiden.